Maandelijks archief: april 2014

De 10 van woensdag

Mijn kleine broertje krijgt een kind. Of eigenlijk krijgt zijn vriendin het kind en hij mag het delen, maar ik ben er erg blij mee. Ten eerste omdat dat betekent dat mijn moeder haar kleinkinderenkick heeft en ze mij nu eindelijk met rust laat, en ten tweede omdat ik denk dat ik een veel leukere tante dan moeder ben. Hier dus 10 redenen om blij te zijn met mijn aanstaande tante-schap.

  1. Winkelmogelijkheid #1: coole t-shirts. Ik denk aan deze, deze of deze.
  2. Voorlezen. Hoe cool is dat? Ik heb zelf nog belangrijke voorleesboeken van toen ik klein was, allemaal linkse feministische propaganda van mijn moeder, maar ik zie ook mogelijkheden om Where The Wild Things Are of Jip en Janneke voor te lezen.
  3. Als hij niet wil slapen is er nog altijd ‘Go the fuck to sleep’, voorgelezen door Samuel Jackson.
  4. Dieren. De kinderboerderij (geiten!) en de dierentuin (pinguïns!). Ik zie mezelf nog wel in staat om met een Greenwheels door de Beekse Bergen heen te rijden (apen!).
  5. Winkelmogelijkheid #2: politiek correct speelgoed. We zijn een end gekomen sinds de houten trein. Ik wil hier een aardappelklok en een dynamorobot kopen. Ik zal doen alsof het voor mijn neefje is, maar het is natuurlijk voor mij.
  6. Disney- en Pixar-films. Omdat je op je 38ste een beetje raar wordt aangekeken als je zonder kind naar Despicable Me gaat. Volgens mij is iedereen erbij gebaat als de larf en ik een vaste bios-date hebben.
  7. Eindelijk een keer een aanleiding om iets met mijn Zoku Quick Pop Maker te doen. Ik heb hem al jaren, en ik heb hem nog nooit gebruikt. Ik zal hem eerst nog even moeten zoeken, maar dat moet wel lukken voordat mijn neefje aan ijs toe is.
  8. Winkelmogelijkheid #3: een mini lopende band voor sushi. Ik wil dit ding natuurlijk voor mezelf, laat daar geen misverstand over bestaan, want dit ding is echt GEWELDIG. Misschien bestel ik er gewoon 2.
  9. Kleurplaten. Ik heb grote hoeveelheden kleurpotloden en stiften. Nu nog iemand die het gezellig vindt om samen met mij te tekenen. Oh, en klei. Dat lijkt me ook leuk. Zijn die Playdoh-kapsalons nog te koop?
  10. Winkelmogelijkheid #4: deze speen. Maar die heb ik al gekocht.

Een toetje

Ik heb heel veel kookboeken. Echt schunnig veel. Dat komt doordat ik het leuk vind om te koken, en ik heb een cateringbedrijf, dus ik kan ook altijd zeggen dat ik ze voor de zaak nodig heb, en ik houd enorm van lezen. Dus dan kom ik weleens op Amazon, en Amazon adviseert mij dan weer nieuwe kookboeken (Amazon is een slet), en dan koop ik er een, omdat ik ineens overtuigd raak van de noodzaak me te verdiepen in de curry, of het veganisme, of de Spaanse keuken. Uiteindelijk betaalt het zichzelf ook altijd uit, want ik heb inmiddels workshops in alle drie de onderwerpen gegeven, maar intussen loopt mijn huis vol met culinair proza. Die situatie wordt nog verergerd doordat ik een hang naar complete verzamelingen heb, zodat ik nu alles wat Jamie Oliver, Ottolenghi, Nigel Slater en Gizzi Erskine geschreven hebben op de plank (nou ja, planken) heb staan. En natuurlijk ook het volledige oeuvre van Nigella Lawson.

20140428-103404.jpg

Uiteindelijk blijkt dan toch dat je altijd terugkeert naar je eerste liefde. Ik weet niet zeker of ‘How to eat’ (in het Nederlands op nogal banale wijze vertaald als ‘Hoe te eten’, maar dit is niet het moment om me druk te maken over slechte vertalingen – dat moment komt ongetwijfeld nog wel) mijn eerste kookboek was, maar het is in elk geval het eerste kookboek dat ik zelf heb uitgezocht en waaruit ik het meest, het vaakst en het liefst kook. Los van het feit dat Nigella Lawson zo’n beetje in ieder opzicht mijn grote voorbeeld is, behalve dan in het uitzoeken van mannen (in het openbaar gewurgd worden door stinkend rijke kunsthandelaren is niet helemaal mijn ding), is het gewoon een geweldig boek. Het leest lekker weg en de instructies zijn ontzettend duidelijk. En er staan geen foto’s in, wat ik altijd een pré vind in een kookboek, want dan hoef ik me ook geen faler te voelen als wat ik heb gemaakt niet op het in de studio met haarlak volgespoten en professioneel belichte gerecht lijkt. Mijn Christmas turkey is al jaren de turkey van Nigella, maar dan wel met de stuffing van mijn oma overigens, als ik een kip uit de oven maak volg ik haar recept, en als ik even niet weet wat ik wil eten laat ik vaak de hele kookbibliotheek links liggen en pak ik ‘How to eat’ erbij. Dat is inmiddels ook wel te zien: de bladzijden plakken aan elkaar en het boek heeft minstens een keer in de fik gestaan. Maar dat is niet erg, want het is een gebruiksvoorwerp.

Ik weet ook zeker dat Nigella het helemaal niet erg vindt als ik aan haar recepten klus. Soms heb ik trek in iets dat lijkt op een gerecht uit ‘How to eat’, maar dan anders, en dan pas ik het gewoon aan. Zaterdag kwamen T en A eten, en ik had zin om even flink te koken, dus na de oesters (deels gestoomd op de Big Green Egg, deels met citroen of azijn met sjalotjes), het kalf (tartaar, zwezerik en lever), de lamsbout (ook van de Big Green Egg) met lavendelhollandaise en asperges, wilde ik ook een dessert serveren.

20140428-103517.jpg

Het is een citroenpavlova met aardbeien geworden. Hiervoor heb ik een lemon curd gemaakt door het recept uit ‘How to eat’ letterlijk te volgen (dat doe ik meestal niet, want ik haak altijd op een gegeven moment af als ik kook volgens een boek en dan ga ik freestyle verder, maar dit leek me zulk eng spul om te maken dat ik braaf heb geluisterd naar Nigella – dan zou ik in elk geval niet met een pestbui en een citroenomelet eindigen), en de helft ervan te plamuren over een merengue die lijkt op het pavlovarecept uit Het Boek, maar dan met een aanpassing: ik heb 4 eiwitten (de dooiers gingen in de hollandaise) stijf geslagen met 250 gr basterdsuiker, daar wat vanille-essence, 2 theelepels maïzena en 1 theelepel witte-wijnazijn doorheen geschept en tot slot heb ik het klassieke recept gepimpt door er de geraspte schil van 1 citroen bij te doen. Alles ging in een mooie cirkel op een bakplaat in een op 180º voorverwarmde oven, die dan direct naar 150º moest worden teruggebracht, en toen heeft hij 75 minuten gebakken. Het enige wat ik niet moest vergeten was dat hij in de oven moest afkoelen, en dat ik dus niet de oven op een gegeven moment weer aan moest gooien, want dan ging alles mis. Maar alles ging niet mis: bovenop de lemon curd ging nog wat ongezoete maar wel stijfgeslagen slagroom, en daar gingen dan weer aardbeien en nog een beetje citroenschil bovenop. Ik hou zelf niet zo van zoete desserts (het gevolg van lang koolhydraatvrij leven), maar dit was wel heel lekker. En M, die ‘niet zo’n toetjesman’ is, nam 2,5 porties. Net als T, maar zijn porties waren wel groter. Aan het eind van de avond was alles op – en als the proof of the pudding in the eating is, dan is het nut van dit dessert bij dezen aangetoond.

Zondag zindag

Even de week evalueren – en omdat ik van categoriseren houd, doe ik het nu op basis van zintuigen!

Proeven: met mijn adoptie-tutorleerling Vera het eerste ijsje van het jaar (hazelnoot-schuim, pure chocolade en witte chocolade bij Zinn in Voorburg) en de eerste cronut van mijn leven. En ook de laatste, want al vond Vera het een ‘try before you die’-ervaring, hoef ik dat echt niet nog een keer mee te maken. Een liefdesbaby van een doughnut en een croissant, met zoete meuk erin. Wat een viezigheid.

Horen: terwijl ik op dinsdagavond oudercursus stond te geven op school was er een repetitie van een orkest en een koor. Ze speelden Mahler 2. Dat ken ik verder niet, maar klonk best leuk, zo door de Latijnse grammatica heen.

Ruiken: gisteren heb ik asperges gegeten met M, T en A (D66 vrinden). En dat ruik ik vandaag.

Zien: ik heb de documentaire ‘Martin Bril – Enfin’ gekeken. Erg mooi en eerlijke documentaire, en zeker een aanbeveling. Hij staat ook op Uitzending Gemist, dus wie hem nog niet gezien heeft, kan dat alsnog doen.

Voelen: na een tweedaagse intensieve yogaworkshop voel ik vooral mijn buikspieren. Als ik zit, als ik fiets, als ik lach en als ik hoest. En ik maar denken dat het goed voor me is, die sport.

De zindag is geïnspireerd op de Friday Roundups op de blog van Rosie Molinary, die die weer geïnspireerd heeft op die van Teacher Goes Back to School, die die ook weer op iemand geïnspireerd heeft. Maar op het internet is uiteindelijk niemand origineel.

2048

Toen ik als middelbare schoolleerling in het eindexamenjaar zat, had mijn broertje een Game Boy. Ik niet, want ik was een nerd die goede cijfers wilde halen, maar dat streven werd al gauw aangepast toen ik Tetris ontdekte. Wat een schitterend spel. Er kwamen blokjes naar beneden in verschillende vormen (maar het waren altijd eenheden van 4), die je dan in de regel onderin moest passen. Als de regel vol was, verdween hij. De blokjes kwamen steeds sneller naar beneden, althans, als je een beetje goed speelde. En dat deed ik. Ik schat in dat dat klotespel me een vol punt op mijn examengemiddelde gekost heeft. Ik maakte mijn examens, kwam thuis, smeerde 2 boterhammen met pindakaas, zette koffie en ging even een potje Tetrissen ter ontspanning, want ik kon natuurlijk niet zomaar allemaal nieuwe leerstof in mijn hoofd krijgen. 3 uur later ging ik in blinde paniek, maar meestal wel met een nieuwe highscore, toch maar aan de slag. Uiteindelijk is het goed gekomen, ik ben met een mooie cijferlijst geslaagd, maar er waren ook gevolgen voor de lange termijn. Ik heb er twee afwijkingen aan overgehouden: een verslaving aan dit soort spelletjes en de neiging om dingen in andere dingen te willen passen (bussen in gebouwen, kopjes in autoruiten). Overigens sta ik in dat laatste niet alleen – er is een blog waarin mensen met dit soort stoornissen heerlijk rustgevende plaatjes kunnen kijken.

tetris_1989__game_boy__by_sovietrussiaftw-d57hr0a

Er is altijd wel een spelletje waaraan ik verslaafd ben. Ik herinner me Minesweeper, McPipes en een spelletje dat B me aangesmeerd heeft en waarvan ik de naam verdrongen heb, maar het was iets met schieten en je kanonnen opvoeren met diamanten en dan beestjes verslaan, en dat klinkt allemaal heel slecht, maar ik heb het wel uitgespeeld, geloof ik. Toen ik aan de iPhone en iPad ging was de beer definitief los: het begon met een spelletje waarbij ik hamburgers moest bakken voor zoveel mogelijk klanten tegelijk, daarna iets met piramides bouwen, toen was er Wordfeud, Ruzzle en Candy Crush (ik ben ook een meeloper namelijk), toen nog even Jelly Splash, maar dat is eigenlijk niet zo leuk, en toen werd ik door een paar Facebook-vrienden op 2048 geattendeerd. Met dat soort vrienden heb je geen vijanden meer nodig: ik heb wekenlang aan niets anders gedacht dan blokjes met machten van 2 tegen andere dezelfde blokjes aanschuiven om zo een hogere macht van 2 te maken en uiteindelijk een blokje van 2048 te maken. Dit spel is voor mij de ultieme productiviteitskiller: ik neem me voor om even een potje te doen en ben vervolgens weer uren onder de pannen. Ik heb al weken geen boek meer gelezen. Ik troostte me met de gedachte dat het spel eindig was – als ik het blokje van 2048 had, kon ik overgaan tot de orde van de dag. Des te teleurstellender was het dus toen ik dacht dat ik het had uitgespeeld en het spel een nieuw doel voor me stelde: ‘Your next goal is to get to the 4096 tile!’ Ja, dat dacht ik dus niet. Ik wil weer een leven. Maar misschien ga ik het eerst even een keer proberen. Een keertje maar…
20140422-170349.jpg

De 10 van woensdag

Het is gelukkig alweer bijna vakantie. En dat betekent een lijstje met dingen die ik absoluut moet doen. Omdat zomaar spontaan een week denken ‘ik zie wel’ echt helemaal niet mijn stijl is.

  1. Naar de film. Geen idee welke. Maar ik wil wel weer eens gewoon op een heel groot scherm iets zien gebeuren. B is jarig, dus er is gerede kans dat we naar de film gaan voor zijn verjaardag. En als hij mag kiezen, wordt het er vast een met de drie essentiële ingrediënten voor een geslaagde film: schieten, tieten en helicopters. Prima.
  2. Lezen. Ik ben kennelijk gestopt met lezen, althans, ik lees niks meer. Dat moet dus anders.
  3. Het bezoek aan de Capitolijnse Musea voorbereiden. We gaan naar Rome en ik mag daar rondleiden. En dat heb ik in mijn gehele carrière tot nu toe weten te vermijden, maar het zal nu echt gaan gebeuren.
  4. De winterkleren opbergen en de zomerkleren te voorschijn halen. Zelfde kleurenpalet (50 tinten zwart), kortere mouwen.
  5. Extra yogalessen volgen, want als ik in Rome ben kan ik natuurlijk niet naar de les. Ik heb een aftekenkaart die vol moet.
  6. Mijn mossel-oorbel van achter de platenkast vandaan krijgen. Dit klinkt raar, maar het is wat het is: ik heb een paar oorbellen die eruit zien als mosselen, en daarvan is er eentje achter een kast gevallen. En die kast zal ik dus moeten verplaatsen, wat vervelend is, want hij zit vol met vinyl. Daar heb ik dus wat tijd voor nodig.
  7. Naar de geheime cocktailbar. Daar kan ik verder niks over zeggen. Maar het is bij voorbaat geweldig. En achteraf ongetwijfeld ook.
  8. De Leiden International Short Film Experience bijwonen. Lijkt me hartstikke leuk. Ik heb een passe-partout gekocht, maar ik vermoed dat ik alleen op zaterdag kan. Maakt niet uit.
  9. Naar het concert van Daniël Lohues. In de Leidse Schouwburg. Daar ga ik elk jaar met B heen, soms is het heel erg mooi, soms gaat het wel. Maar we gaan sowieso.
  10. Asperges eten. Ze zijn er weer! Ik ga ervoor op roadtrip naar Ouddorp, want Hof Asperges zijn de lekkerste – lekkerder nog dan Limburgse, en dat is toch mijn Heimat. En dan een flink stuk zalm en een emmer Hollandaisesaus erbij en je hoort mij voorlopig niet meer. Heerlijk.

Dikke tieten

Gisteren heb ik opgetreden bij Echt Gebeurd, in Toomler in Amsterdam. Het is de bedoeling dat je uit je hoofd een verhaal vertelt, en dat heb ik ook gedaan. De tekst hieronder is dus niet letterlijk wat ik heb verteld, maar een uitgeschreven versie van mijn verhaal. Het onderwerp was borsten, en die heb ik. En ik vertel er ook graag over.

Screen-Shot-2013-09-15-at-8.48.41-AMIk heb er een speciaal detectiesysteem voor ontwikkeld: steigers en bouwputten. Ik kan van grote afstand waarnemen dat er ergens nieuwe ramen worden geplaatst, of dat er aan een huis geklust wordt, of dat ze met wegwerkzaamheden bezig zijn. Ergens in de verte hoor ik 100% NL of SkyRadio net iets te luid opstaan, afgewisseld met het geluid van een boor of zo’n straataanstamper, en dan zet ik me vast schrap.

Ik heb namelijk dikke tieten. Je kan er lang of kort over praten, maar het is wat het is. Of ze zijn wat ze zijn: fors. Mensen schatten ze soms in op cup DD of E, maar dat stadium was ik al gepasseerd voordat ik voor het eerst gezoend had. Het ging ook snel: het ene moment zag ik eruit als een kind, het volgende moment begonnen mijn borsten in hoog tempo te groeien. Om mijn lievelingshobby, paardrijden, te kunnen blijven uitvoeren, moest ik me al gauw in een strakker harnas hijsen dan de paarden om kregen, en zelfs dan zag het er obsceen uit. En die krengen bleven maar groter worden. Dat het bij mij eerder begon dan bij mijn klasgenootjes was nog tot daaraan toe, maar het ging ook veel langer door. Op een gegeven moment vroeg ik me af of en wanneer het zou ophouden – het leek wel een horrorfilm, iets als The Incredible Growing Boobs Of Doom. Veel dingen hebben in de loop van de jaren, ook nadat ik verder uitgegroeid leek, mijn cupmaat beïnvloed: ik ging aan de pil, plus 1, mijn vriendje dumpte me en ik at een maand lekker veel, plus 1, ik stopte met de pil, plus 1, ik viel 10 kilo af, en alles werd kleiner behalve mijn boezem: plus 1. Inmiddels zit ik tamelijk ver in het alfabet, en heb ik bijna letters bereikt waar Marlies Dekkers niet meer mee schrijft.

Even voor de duidelijkheid: ik vind ze hartstikke leuk. Ze zijn alleen volslagen zinloos – mijn vriend is niet zo’n borstenman, zegt hij, en ik heb geen kinderen. Het is op zich wel leuk om te zijn hoe blij ik baby’s kan maken met mijn tieten, maar ze komen er al snel achter dat het twee hele grote dooie mussen zijn. Een beetje alsof je in een geweldig café komt en dan niks kunt bestellen omdat de tap niet is aangesloten. Nee, mijn borsten hebben geen enkele functie. Ik heb verder ook niet echt een beroep waarbij zo’n flink paar tieten voordelig is: ik ben docent Grieks en Latijn op een keurige school in Voorburg, en daarvoor is het niet per se nodig om er uit te zien, zoals mijn moeder een keer zei, als een pornoster op haar vrije dag.

En omdat mijn boezem zich nogal prominent in de openbare ruimte begeeft, is hij ook van iedereen. Allerlei mensen, dus niet alleen mijn moeder, vinden het totaal gerechtvaardigd om er opmerkingen over te maken of er opzichtig naar te kijken. Maar ach, ze worden er niet minder van – sterker nog, als ze daar minder van zouden worden zou ik nu helemaal niks op de plank hebben. Mijn borsten zijn in zekere zin heel egalitair: op het opleidingsniveau, geslacht of de sociale achtergrond van de mensen die er wat van menen te mogen zeggen valt geen peil te trekken. Tijdens een vergadering op de universiteit werd gevraagd naar punten voor de rondvraag, en een man met een dikkere academische titel dan ik zei ‘Ja, Susannah heeft er wel twee.’ Ik heb de indruk dat veel mensen die zich geconfronteerd zien met borsten van een bepaalde omvang heel makkelijk in contact treden met de oermens die ze in zich hebben – en zich dan ook niet schamen om de holbewoner voor hen te laten spreken. Soms is het grappig, soms is het obsceen, vaak heb ik de opmerking al eens gehoord. Ik kies er meestal voor het als een compliment te zien, uit consideratie met de ander en als bescherming van mezelf.

Toen ik voor het eerst positieve feedback kreeg uit een bouwput was ik een jaar of 13. Ik ben met een ruime C-cup naar de brugklas gegaan, en in de buurt van mijn school werd langdurig aan de weg gewerkt. Op de heen- en terugweg werd ik enthousiast door de heren begroet. Aanvankelijk moest ik de neiging onderdrukken om tegen ze te vertellen dat ik echt nog lang geen leeftijd had waarop het gepast was dat een volwassen man een ranzige opmerking tegen me mocht maken, maar al gauw ging ik over tot de standaardstrategie waarmee ik me in de jaren daarna consequent heb weten te redden: rug recht, minzaam glimlachen, eventueel ‘goedemiddag’ terugzeggen (ik ben netjes opgevoed), en doorlopen. Zij konden tenslotte ook niet weten hoe jong ik was, en dat ik er zoveel volwassener uitzag dan ik was, was ook niet hun schuld; als je in een veel te grote auto gaat rondrijden, moet je ook niet zeuren als andere weggebruikers tegen je toeteren.

Naarmate ik ouder werd en meer in mijn lichaam groeide, raakte ik gewend aan de enthousiaste kreten van de mannen vanaf de steigers. Soms maakte ik zelfs een grapje terug. Ik liep een keer langs een bouwvakker die mij vertelde dat hij mijn boezem mooi vond om naar te kijken – en toen ik zei dat ik dat een mooi compliment vond in het licht van de concurrentie die ik duidelijk had van het indrukwekkende achterdecolleté waardoor dat de hele buurt al twee middagen de bilnaad van zijn collega kon bewonderen. Ik had een nieuwe vriend gemaakt.

Maar meestal zei ik niks. Ik liep langs, incasseerde wat ze te zeggen hadden zonder mijn snelheid aan te passen, en vervolgde mijn route. Ik zal niet zeggen dat ik me een slachtoffer voelde van ongewenste verbale intimiteiten, maar ik deed altijd een beetje alsof ik, door als muze voor de heren van de bouw op te treden, een soort maatschappelijke plicht vervulde. En we waren er altijd voor elkaar: of het zomer of winter was, of ik me die dag lekker voelde of dik en lelijk, of het Nederlanders of Polen waren. Het maakte niet uit.

Tot die ene dag. Ik was op weg naar mijn werk. Alle ingrediënten voor een standaardcontact met de bouwende klasse waren aanwezig: de zon scheen, dus mijn boezem was nog eens extra zichtbaar, er schalde een Hollandse hit uit de bouwput en het rook naar shag en eerlijk mannenzweet. Ik haalde diep adem, deed mijn schouders nog een beetje naar achteren en liep langs de kuil in de grond. De mannen keken op, zagen me, en gingen weer verder met hun werk. Ze zeiden helemaal niets. Niets. Ik vertraagde nog even, voor het geval ze me niet goed hadden gezien, of even wat tijd nodig hadden om een mooie gevatte opmerking te formuleren, maar al hun aandacht ging naar de kabels die ze in een richel aan het leggen waren. Ik heb nog nooit zo’n intensieve stilte beleefd, en dan was dit nota bene nog een stilte waarbij Marco Borsato de soundtrack verzorgde.

Even overwoog ik het initiatief te nemen en ‘goedemorgen’ tegen de mannen te zeggen, maar dat leek me een beetje sneu. Niet half zo sneu als mijn volgende opwelling overigens: mijn jas opendoen, mijn shirt iets omlaag trekken en tegen de heren roepen: ‘He gasten, hebben jullie wel gezien wat voor enorme hooters ik heb?’ Nee. Ineens drong het tot me door: er zit een houdbaarheidsdatum aan. Niet aan mijn tieten, die gaan nog wel even mee, maar wel aan het soort lekkerheid waarover mensen opmerkingen maken.

Terwijl de stilte in mijn oren doorklonk alsof iemand keihard tegen een gong had geslagen liep ik door. Ineens was er een nieuwe fase in mijn leven aangebroken: in een klap was ik veranderd van een lekker wijf met een indrukwekkende voorgevel in een vrouw op leeftijd met een zinloos paar veel te grote tieten. Een acteur die speelt in een zaal zonder publiek is tenslotte gewoon een aansteller – en als mijn borsten niemand inspireren om er iets van te vinden zijn ze meteen helemaal nutteloos. Ik zou een nieuwe functie voor mijn borsten moeten verzinnen. Gelukkig kan ik nogal wat dingen kwijt in mijn decolleté. Sommige vrouwen hebben een kittig mapje voor in het zogeheten tietenmandje, waarin ze tijdens het uitgaan wat geld doen en misschien hun telefoon – ik kan makkelijk de hele huishoudportemonnee en zo nodig een iPad kwijt. Plek zat. Vanaf dat moment waren mijn borsten alleen nog maar voor mij. Terwijl de heren achter me elkaar een vuurtje gaven alsof er niets aan de hand was, liep ik met een verpulverd zelfbeeld en een zwaar gevoel van voren naar mijn werk. De magie was voorbij.

borst-500x300

Zondag zindag

Even de week evalueren – en omdat ik van categoriseren houd, doe ik het nu op basis van zintuigen!

Proeven: ik heb de ‘Oathie’-bagel bij Bagels & Beans ontdekt. Dat is een bagel die geïnspireerd is op de voedselzandloper, dus die mag ik. En is gelijk mijn nieuwe obsessie. Ik heb hem maandag en vrijdag gegeten en zou er het liefst elke dag een halen. Zaterdag caterde ik een borrel en buffet met allerlei tapas en Spaanse gerechten – en je moet natuurlijk alles proeven wat je opdient… Het hoogtepunt van de smaakweek was dat ik toen ik zaterdag thuis kwam een fles gin cadeau bleek te hebben gekregen van een bevriende slijter, om te vieren dat ik hoogstwaarschijnlijk snel in de raad kom, een hele lekkere Oostenrijkse.

Horen: in het Stedelijk was een soundtrack bij de Marcel Wanders-tentoonstelling. In eerste instantie vond ik het wel bijzonder, op een gegeven moment begon het me tegen te staan en iets later had ik het er helemaal mee gehad. Maar dat zou ook gewoon aan mij kunnen liggen.

Ruiken: vooral veel koffie. Ik mag van de zandloper 3 koffie per dag, en meestal kom ik daar niet aan, omdat de koffie op school zo smerig is. Maar deze week had ik de cafeïne hard nodig, dus ik heb elke dag de volle 3 eenheden koffie genoten. En als je er eerst uitgebreid aan ruikt, lijkt het toch een beetje of je meer koffie krijgt!

Zien: het was weer een culturele week: woensdag een op zich teleurstellende en helemaal niet zo grappige Sara Kroos, donderdag het Stedelijk Museum en ‘Who’s afraid of Virginia Woolf?’. Ik heb nieuwe interessante mensen gesproken, vanwege de cultuurportefeuille. En kuikens, die zijn er nu ook!

Voelen: ongeveer de hele week zenuwachtig, omdat ik me heb aangemeld voor ‘Echt gebeurd’. Op maandag moest het verhaal af en op vandaag is de opvoering. Dus dat neemt toch een beetje je emotionele week in bezit.

De zindag is geïnspireerd op de Friday Roundups op de blog van Rosie Molinary, die die weer geïnspireerd heeft op die van Teacher Goes Back to School, die die ook weer op iemand geïnspireerd heeft. Maar op het internet is uiteindelijk niemand origineel.

Who’s afraid of Virginia Woolf

Zo ga ik nooit naar het theater, zo twee keer in een week. Op grond van de recensies van Who’s afraid of Virginia Woolf, een voorstelling van Toneelgroep Oostpool, hadden M en ik de indruk dat we deze echt niet mochten missen. Temeer daar het stuk an sich natuurlijk een belangrijke klassieker is, die we, tot onze spijt en schande, geen van beiden ooit hadden gezien. Maar nu konden we dat rechtzetten, en dat hebben we gedaan. Het stuk van Albee is uit 1962, maar daar merk je niks van. Kennelijk is de dynamiek tussen twee mensen die al heel lang getrouwd zijn, een geheel eigen zieke omgangsvorm gevonden hebben en die elkaar het leven zo zuur mogelijk willen maken iets van alle tijden. En als je daar dan ook nog een jong ambitieus echtpaar vol goede bedoelingen en hoop met betrekking tot de toekomst bij doet, en die stumpers vervolgens eerst dronken voert en vervolgens een heleboel illusies armer naar huis stuurt, dan is dat eigenlijk gewoon een garantie voor een heel succesvolle avond, ook nu nog. Het is een prachtig stuk, vol drank en scheldpartijen, en aan het einde kun je je niet aan de conclusie onttrekken dat sommige mensen elkaar gewoon verdienen.

Virginia_03_scenefoto_fotograaf_sanne_peper

De regisseur had een paar duidelijke ideeën over hoe deze voorstelling ingevuld moest worden, en ik vond ze niet allemaal even sterk. Een stuk met deze titel ensceneren met ‘Who’s afraid of red, yellow and blue’ op de achtergrond is leuk ironisch, en als je de de woonkamer zo minimaal inricht dat de keuze om te gaan zitten onmiddellijk gevolgen had voor iemands verhouding tot de andere passages, dan wordt de bank meer een wapen dan een meubelstuk en daar houd ik van, maar met de casting had ik iets meer moeite. Er wordt meermalen gezegd dat Martha ouder is dan George, en dat George ergens in de 40 is, en Nick en Honey zijn 28 en 26. Op het podium was er geen enkel leeftijdsverschil zichtbaar tussen Honey (Kirsten Mulder) en Martha (Maria Kraakman), en dat is toch wel een beetje raar – ik zal niet zeggen dat het een stuk is over een generatieconflict, maar het leeftijdsverschil is wel een issue. En dan kan je als regisseur wel besluiten dat jij er niet zo mee zit, maar dan moet je iets aan de tekst doen. Maar ja, in de vertaling van Gerard Reve ga je natuurlijk niet knippen. Ik had dus anders beslist – Martha hoeft echt geen oude vrouw te zijn, maar als George (Jacob Derwig) wel duidelijk als 40er is gestyled (coltrui, ribbroek), dan hoef je Martha echt niet in een loeistrakke broek te laten rondlopen. Zeker niet als je Honey vervolgens als een enorme tut op het toneel zet.

1922491_10153885800415374_2106885722_nIk kan me voorstellen dat het idee dat een toeschouwer over dit stuk heeft sterk gekleurd wordt door de keuze van de acteurs en de actrices. Als je een heel sterke Martha neerzet en een wat zwakkere George, heb je toch misschien iets meer sympathie voor haar kant van het verhaal. In deze voorstelling was het precies andersom. Derwig speelde een prachtige George, terwijl ik me de Martha van Kraakman zal herinneren als een vervelend schreeuwwijf, met wie ik eigenlijk pas helemaal aan het eind nog een beetje kon meeleven. Uiteindelijk zijn het natuurlijk allebei buitengewoon onsympathieke mensen, maar je blijft kijken. Gefascineerd, alsof je als een ramptoerist bent. Je weet dat het mis gaat, en je vermoedt op een aantal manieren, en je wil het eigenlijk helemaal niet weten, maar afhaken is geen optie. De behoefte om antwoord te krijgen op de vraag hoe het nou zit met het boek van George en met de zoon waar steeds over gesproken wordt is toch sterker dan de behoefte om weg te lopen. Het andere echtpaar, Nick en Honey, is er voor mijn gevoel vooral als een springplank die George en Martha allebei op verschillende manieren gebruiken om zich op af te zetten om elkaar nog extra pijn te doen. Hun eigen beslommeringen interesseerden me dan weer minder, al vond ik het moment dat Nick (Sanne den Hartogh) zich even liet kennen en vertelde wat hij van plan was om zijn carrière zo ver mogelijk te helpen fascinerend.

Virginia_04_scenefoto_fotograaf_sanne_peper

Los van het feit dat het natuurlijk fijn is om een belangrijke theaterklassieker in de ‘been there, seen that’-lijst op te kunnen nemen, was dit ook een heel prettige manier om kennis te maken met ‘Who’s afraid of Virginia Woolf’. Ik vond het fascinerend, en ik zal zeker mijn best doen om het stuk in andere uitvoeringen te gaan zien. Maar de George van Derwig zal denk ik nog wel even de George zijn aan de hand waarvan ik andere Georges beoordeel.