In memoriam

Er zijn docenten die je nooit zal vergeten. Sommigen omdat ze heel goed waren, anderen omdat ze helemaal niet zo goed waren, weer anderen om hun humor, vriendelijkheid, kennis van zaken of iets heel anders. Maar het zijn altijd docenten van wie je iets leert, of het nou het vak is dat ze gaven of iets anders. Gisteren is Simon Peters overleden, de eerste en enige docent Grieks die ik op de middelbare school heb gehad, dus ik kan met zekerheid zeggen dat hij aan de basis van mijn kennis van het Grieks heeft gestaan, maar er was meer: ook mijn interesse in de Oudheid in het algemeen is voor een belangrijk deel door hem opgestart. Hij was een van de weinige mensen die mij ooit rijtjes heeft laten leren. Als wij aan het begin van de les nog aan het kletsen waren en hij wilde met de les beginnen, tikte hij met zijn trouwring op de rand van het bureau, en dan werd het stil – als ik dat zou proberen, zouden mijn leerlingen het getik niet eens horen, dus ik vermoed dat de natuurlijke rust die hij uitstraalde hier stevig aan bijdroeg.

Toen ik in de vijfde klas zat, stelde hij ons de vraag: ‘Als je een zak kersen hebt, en je weet dat de helft lekker is, en de helft minder, begin je dan met de lekkere kersen of met de minder lekkere kersen?’ Mijn klasgenoten beargumenteerden hun keuze (beginnen met de lekkere, want je weet maar nooit, of beginnen met de minder lekkere, want dan heb je nog iets lekkers voor de boeg), maar mijn keuze (‘ik eet gewoon kersen en ik zie wel of ze lekker zijn of niet’) wekte bij meneer Peters een verbijsterde reactie op: ‘Jij komt nog een keer in de gevangenis.’ Die voorspelling is gelukkig vooralsnog niet uitgekomen. Hij kon prachtig vertellen, met zijn rustige, zachte stem, en ik zal sommige Griekse teksten altijd met hem blijven associëren. Net als dit gedicht; ik heb meneer Peters nooit zien roken, maar als ik ‘Woordjes leren’ van Jan Eijkelboom lees, moet ik meteen aan hem denken. En vandaag doe ik dat met gepaste dankbaarheid.

WOORDJES LEREN

Jongens, heb je verdriet,
sprak toen de leraar Grieks,

dan moet je woordjes leren, woordjes
leren. Hij knikte energiek

zodat er as viel op zijn vest,
maar dat was toch al vies.

Wij lachten halfvertederd,
halfmeewarig, want tragiek

daar wist je alles van en hij,
heel oud, haast vijftig, niets.

En dat het overging als je maar
woordjes leerde, dat was iets

zo absurds, zo dolkomieks
dat het in omloop kwam als een

gevleugeld woord. Het klapwiekt
nu verdrietig om mij heen

omdat ik later woordjes leerde
waarmee je ’t monster kunt bezweren

en ik hem niet meer zeggen kan
hoe ik soms naar die stem verlang,
naar dat onhandige advies.