Gastschrijver,  Leiden,  Verhaal

Schrijfsels van andere mensen

Het was al een tijdje mijn idee om zo nu en dan gastschrijvers op flauwekulletjes te verwelkomen: ik heb veel creatieve vrienden, die niet allemaal een eigen blog hebben, maar wel schrijven, en dan is het in ons beider voordeel als ze dat hier kunnen plaatsen. Mijn D66-vriendin M (haar naam verschijnt zometeen voluit) heeft een prijs gewonnen in het kader van de wedstrijd ‘Nederland leest, Leiden schrijft’. Haar verhaal komt in de bibliotheek te hangen en ze mag een cursus creatief schrijven doen, dus dat is al eer genoeg – publicatie op mijn blog is misschien een bescheiden kers op de taart. De opdracht was om een verhaal van maximaal 400 woorden te schrijven, geïnspireerd op het schilderij ‘Gezicht op Leiden uit het noordoosten’ van Jan van Goyen (te zien in de Lakenhal).

Jan-van-Goyen-Gezicht-op-Leiden-uit-het-Noordoosten-i10837De aankomst – Marjolein Hoogeveen

Leiden, april 1650

Het is vandaag marktdag. Handelaren uit de omstreken komen naar de stad tussen de Nieuwe en de Oude Rijn. Met de noordoostenwind in de zeilen koersen ze naar Leiden. Naast de handelsschepen vaart er ook een kleine roeiboot op de Nieuwe Rijn met vermoeide passagiers, met Leidenaren en toekomstige Leidenaren. Behalve de hond die hartstochtelijk blaft en een verrukte jongensstem is alleen ijzige wind te horen. Wijzend naar de opdoemende stadsmuren roept de jongen: “Anna, is dat dan de stad waar we gaan wonen? Gaan we dan eindelijk hier van boord?” “Ja,” klinkt het met een vermoeide zucht, “hier gaan we wonen. Nog even geduld en we komen eindelijk aan in Leiden, onze nieuwe woonplaats. Eindelijk een plek waar we onszelf kunnen en mogen zijn, zonder vervolgd te worden om wat we denken en geloven.” Opeens wordt Anna opgeschrikt uit haar gedachtes door haar onstuimige jonge broertje Willem en roept naar hem: “Willem, zit nu even rustig! Straks val je nog in het water en dan moet een van deze heren in het koude water om je te redden, kom je nat aan in de nieuwe stad en word je ziek, en dat kan niet want we moeten onze oom en tante helpen in hun drukkerij.” Om hem af te leiden vroeg ze hem of hij nog wist waar de Breestraat lag. “Tja, dat hangt er vanaf door welke poort we binnenkomen. Maar ik zie daar de Marepoort liggen, dus ik denk dat we daar doorheen gaan en dan zullen we bij de Waag worden afgezet, dan door de Mandenmakerssteeg en we zijn op de Breestraat. Weet jij nog welk nummer ze wonen?” “Ze wonen niet op de Breestraat maar ergens daarachter, maar als ik op de Breestraat ben dan weet ik precies hoe ik moet lopen en het pand is makkelijk te herkennen. Gelukkig heeft mamma nog naar tante Jacoba kunnen schrijven, voordat…” Anna haalt diep adem en vervolgt: “…ze ons begonnen op te jagen. Maar we zijn niet alleen, Willem, oom Jan en tante Jacoba zullen ons helpen als wij hen ook helpen. Vanaf vandaag zal alles anders zijn, leven in vrijheid, mogen zijn wie we zijn en geloven wat we geloven. Laten we daarom nu de stad bewonderen, en rustig naar binnen gaan, dan komt het thuisgevoel het snelst.”